‘Groen heeft een intrinsieke waarde voor de stad’

Is het mogelijk om samen met de natuur te leven als 85 procent van de bevolking in de stad woont? De wetenschap heeft daar wel wat over te zeggen.

“We vervreemden ons meer en meer van de natuur. Door verdichting plaatsen we hier en daar wat bomen en that’s it. Het is groen, maar er is weinig natuurwaarde.” Robbert Snep van Wageningen University & Research was kritisch in zijn presentatie tijdens het Nationaal debat Natuurinclusief bouwen, georganiseerd door de participatietafel biodiversiteit van DuurzaamDoor, op 11 april tijdens Building Holland. Volgens Snep zien steeds meer organisaties de noodzaak van de natuur in, maar ontbreekt er nog veel kennis.

Natuurgebrek
Toch ziet Snep ook licht aan het einde van de tunnel: “Niet eerder heb ik zoveel mensen voor mij gehad die geïnteresseerd zijn in natuurinclusief bouwen, dus we gaan de goede kant op.” Dat is maar goed ook, geeft hij aan, want hoewel de soortenrijkdom in de stad stijgt – met verrassende soorten als de bever – komen veel soorten ook onder druk te staan. De reden: we ontwerpen voor de mens en houden daarmee geen rekening met verblijfplaatsen voor dieren.

“Het is een trend om groen te verwerken in artist impressions,” aldus Snep. “Er moet ook altijd wel een vogel in voorkomen. Dus plaatsen we een paar bomen en that’s it. Wat voor stad wordt dat? Jongeren weten op een gegeven moment niet meer wat natuur is, want ze komen er nauwelijks mee in aanraking.” Snep zette dat statement kracht bij met de volgende (schrikbarende) feiten: er wordt op scholen gemiddeld maar 15 minuten per week aandacht besteed aan groen en circa 75 procent van de jongeren komt slechts 1 keer per jaar in een natuurgebied.

Cijfers als dit benadrukken de urgentie om met dit onderwerp aan de slag te gaan. Natuurervaring heeft diverse positieven invloeden op de gezondheid, van cognitieve en fysieke vaardigheden tot sociale interactie. “Investeer in een natuurinclusieve stad, dan investeer je in een gezonde stad én in jezelf!” sluit Snep af. Gemeente Amsterdam heeft al een stap gezet met de brochure Natuurinclusief bouwen en ontwerpen in twintig ideeën.

Paradigmaverschuiving in de bouw
De noodzaak is er, maar tot een uitwerking komt helaas nog weinig. Een gebrek aan kennis of bewustwording over de effecten van groen ontbreekt, wordt vaak gezegd. Gek eigenlijk, want de kennis is wel degelijk aanwezig, zo liet architect Hiltrud Pötz van Atelier Groenblauw weten in haar presentatie. Vooral opmerkelijk: “Vroeger werd al veel meer circulair gebouwd. Uit onderzoek blijkt dat huizen van honderd jaar oud nog wel honderd jaar kunnen blijven staan, terwijl huizen uit de jaren ’70 nu beter gesloopt kunnen worden.”

Door de jaren heen zijn we dus anders gaan bouwen. Volgens Pötz moet er weer zo’n verandering komen; een paradigmaverschuiving in het bouwproces. “Routinematig bouwen en vervolgens een groen sausje eroverheen gooien is veelal duurder dan van begin af aan in het ontwerptraject functies koppelen. Een simpel voorbeeld: hoog niet de grond op, maar bouw je huis hoger. Zo kan hemelwater beter infiltreren zonder dat je daar extra kosten voor hoeft te maken.”

Pötz haakte ook in op de opmerkingen van Snep over biodiversiteit. “Zo slecht gaat het daar niet mee. Het zijn vooral dorp, platteland en binnenstad die er slecht voor staan. In de stad zijn voldoende kansen te benutten voor meer biodiversiteit door ruimte te maken op en aan gebouwen. Denk aan nesttegels in de gevel, of gevelbeplanting.”

Belangrijker nog is de boodschap dat iedereen ermee aan de slag kan. Pötz: “Laten we ons niet alleen bezighouden met grote, kostbare projecten, zoals een verticaal bos aan een gevel. Pas groen lokaal en kleinschalig toe in woonwijken. Niet meeliften op de hype, maar teruggaan naar de realiteit. Het is een verhaal van grote schaal tot kleine schaal, waarin alle stappen heel wezenlijk zijn.”

Genius loci
Om nog maar eens de noodzaak te benadrukken, volgde professor Andy van den Dobbelsteen van TU Delft: “Onderzoek wijst uit dat er een minuscule kans bestaat dat klimaatverandering níet door de mensheid wordt veroorzaakt. Zulke zekerheid is uniek voor de wetenschap.” Daarin speelt de gedachte die Pötz noemde – van grote naar kleine schaal – een wezenlijke rol, zo beaamt Van den Dobbelsteen.

“Ga terug naar lokaliteit bij ontwerpen, de genius loci. Elk gebouw en elke plek vraagt om zijn eigen oplossingen, al is het ontwerp telkens op dezelfde manier te benaderen. De kracht van de locatie kan nog veel meer worden benut, dus zoek naar de lokale karakteristieken en speel daarop in.” De professor gaf toe dat zulke kreten een hoog geitenwollensokkengehalte hebben, maar is dat erg? “Van mij mag dat best het nieuwe normaal worden.”

“Lang geleden bouwden we al veel met groen. Het ging een beetje mis met strakke glasarchitectuur: geen zonwering en geen groen blaadje meer te zien voor verkoeling. Het is volledig uit de hand gelopen, met excessen van mechanische ventilatie en airconditioning die het uitzicht én de stad vervuilen. We moeten onze gebouwen ermee verkoelen, maar je warmt er de stad mee op.”

Uiteraard is het niet alleen kommer en kwel. Van den Dobbelsteen benoemde ook de positieve effecten die natuurinclusieve maatregelen ons te bieden hebben. “Laten we niet vergeten dat groen een natuurlijke klimatiseerder is. Er is veel te leren van slimme principes uit de natuur. Laten we die eens vertalen naar technische oplossingen.”

Intrinsieke waarde
Waar doen we het voor? Dát is de vraag volgens Donné Slangen, directeur Natuur en Biodiversiteit bij het ministerie van LNV. Hij sloot de dag af met een sterke overtuiging: “Het eerste doel is niet de natuur. Die is er al. We doen het voor onszelf. We waarderen groen, vinden het mooi, worden er vrolijk van, het geeft rust en ontspanning. Groen heeft een intrinsieke waarde voor je stad.”